Daar komt alleen maar rottigheid van
:: PR-024-nl
De dag was normaal toen Jan van Papendal zijn ogen opende. Na een onrustige nacht waarin hij meerdere malen zwetend wakker was geworden kwam zijn ontwaken als een geschenk uit de hemel. Hij keek opzij naar waar zijn vrouw lag te slapen en schudde langzaam het hoofd. Al dagenlang liep hij zich zorgen te maken over de aanstaande bruiloft van zijn jongste en enige dochter. De bloemen waren nog steeds niet bezorgd en ook de vraag of het meubilair dat hij voor precies dit soort gelegenheden in de oude schuur bewaarde wel in toereikende staat verkeerde liet zijn hoofd op hol slaan. Daarbij had zijn schoonzoon in spé op een bepaalde manier gekeken, en hij was daardoor meteen teruggeschoten op de vraag of zijn dochter die jongen überhaupt wel zou moeten trouwen. Hier had hij zich sowieso in de maanden van aanloop naar de bruiloft het hoofd al constant over gebroken, en na de vele overredingen van zijn vrouw had hij het uiteindelijk kunnen laten gaan. Maar nu kroop het idee weer omhoog, als een salamander in zijn geest. Die jongen was niks voor haar. Hij zou haar pijn doen, haar breken, haar verlaten. Hij moest weg, ver weg van zijn dochter, want zij had niets aan hem. Hij betwijfelde of de jongen eigenlijk wel van haar hield. Eigenlijk zou hij zelf zijn dochter willen trouwen. Ze was van hem, hij had haar gemaakt. Okee, samen met zijn vrouw, maar zijn dochter was geen lesbienne. Hij hield ook meer van haar dan ieder ander ooit zou kunnen doen. Zijn vrouw had gezegd dat als hij écht van haar hield, dan moest hij haar haar eigen keuze laten. In eerste instantie had dit hem overtuigd, maar toen hoorde hij datzelfde zinnetje binnen een week in een film, een soap én een televisieprogramma over verliefde mensen, en besloot hij dat het argument cliché was, en cliché daar hield hij niet van.
Wanneer zijn hoofd zwaar werd van de gedachten ging hij altijd het land op. De leegte daar maakte hem rustig en hij voelde zich er thuis, meer dan in zijn eigen huis. Al toen hij nog een klein ventje was was hij vaak op het land te vinden. Hij speelde er tussen de aardappels die zijn vader daar verbouwde, en aangezien zijn ouders vaak weinig tijd voor hem hadden en er in de wijde omtrek niets dan land en bos te vinden was werden de vreemde vruchten al gauw zijn beste vrienden. Hij lachtte met ze en praatte met ze over het weer en de grond en de natuur, en samen fantaseerden ze hoe de rest van de wereld eruit zou zien. Soms haalde hij ze uit de grond en smeet ze een end weg, en dan hoorde hij ze gieren van de lach.
Toen hij ouder werd veranderde zijn interesse voor aardappels, en werd meer biologisch van aard. Hij bestuurde de locaties van hun knobbels en bobbels en de rare uitspruitingen die ze hadden en die hem deden denken aan de uitspruiting die hij sinds kort op zijn eigen lichaam ontdekt had. Hij kon zich nu de droom niet meer herinneren die hij toen had gehad.
Hij zat naakt op het land en bekeek de aardappels. Hij bevingerde hun kleine uitspruitingen en de aardappels giechelden van genot. Ineens viel een schaduw over hem heen en toen hij zich omdraaide zag hij een enorme aardappel, zo groot als hijzelf. De aardappel bekeek hem nieuwsgierig, en hij zag hoe een uitspruiting midden op de aardappel begon te groeien en zich uitstrekte richting hem. De aardappel raakte zijn oor aan, en van daaruit begon een uitspruiting te groeien. Toen zijn neus, het topje van zijn hoofd, zijn linkerarm en zijn navel, en overal waar de aardappel hem aanraakte spruitte het uit. Toen raakte de aardappel zijn penis aan en ook die begon te groeien, en hij raakte vervuld van een heerlijk genot. Meer en meer spruitte zijn penis uit, en hij werd alsmaar groter, het gevoel werd erger en ergeren toen hij dacht dat het niet beter worden kon zei de aardappel ineens, ‘Zullen we bij mij thuis verder gaan?”
Hij was wakker geschrokken, zijn lakens plakten aan zijn bovenbenen en toen hij keek hing zijn penis er slapjes bij.
Nu, achtentwintig jaar later, stond hij weer op diezelfde plek als toen. Hij was de droom allang vergeten, maar iets aan de plek waar hij zich bevond riep een gevoel bij hem op van een vervlogen herinnering, en gaf hem een gevoel van veiligheid en warmte. Even bleef hij staan en luisterde naar de vogels die hun onafhoudende serenade aan de wereld zongen. Hij draaide zich om en keek uit over het land. De enorme aardappel die nog geen twee meter van hem vandaan lag viel hem in eerste instantie niet op. Toen hij hem zag rende hij subiet het veld over naar de grote schuur, alwaar hij op de trekker sprong en deze het land op stuurde. Bij de aardappel aangekomen sjorde hij deze met een aantal kabels vast, sprong weer op de bok en hobbelde terug naar zijn huis, de aardappel in zijn kielzog. In tijden had hij zich niet zo gelukkig gevoeld.
Thuis zette hij de aardappel in de fauteuil in de woonkamer. De grote stoel was eigenlijk de vaste plek van zijn vrouw, maar dat kon hem niet bommen. De aardappel was alles wat zijn vrouw al die jaren had moeten zijn voor hem. Die nacht sliep hij ook met de aardappel in het tweepersoonsbed. Zijn vrouw was verbijsterd toen ze hen zo aantrof. Ze eiste dat hij de aardappel uit het bed zou halen, maar hij weigerde. Kwaad sliep ze die nacht op de bank. Na een dag van scheve blikken kookte ze die avond aardappels en groente voor hem. Hij weigerde het op te eten. ‘Ik eet geen aardappels meer’, zo sprak hij. Ze werd woedend en met een dodelijke blik op de enorme aardappel stormde ze de kamer uit. Het kon hem niet schelen. De aardappel was veel belangrijker voor hem. Wat hem betreft donderde zij op en nam de aardappel haar plaats in. Hij begon hierover na te denken, en bedacht zich dat het nog niet eens zo’n gek idee was. Zijn vrouw leek wel een beetje op een aardappel, dus waarschijnlijk zou niemand het verschil merken. Ja, het was briljant. Hij zou zijn vrouw vermoorden en de aardappel zou haar plaats innemen.
Hij had een ontzettend ingewikkeld plan uitgedacht vol clausules en vangnetten, maar toen puntje bij paaltje kwam bleek het eigenlijk verdomde simpel. Zijn vrouw sliep nietsvermoedend op de bank en hij smeet de aardappel bovenop haar. Door het immense gewicht werd ze platgedrukt en was vrijwel meteen dood. Hij stond er een beetje verbaasd bij te kijken, maar snel genoeg zette zijn denken weer in en binnen een mum van tijd had hij haar begraven in een gat midden op het land. Dat was dat. Hij klopte de aarde van zijn handen en voelde zich een vrij man. Eindelijk kon hij alleen zijn met zijn geliefde aardappel.
De periode die toen volgde was er een van intens geluk. Samen maakten ze lange wandelingen door de uitgestrekte bossen die het land omzoomden. Ze praatten urenlang over kunst, filosofie en de aardappelverwerkingsindustrie. Ze dansten op platen van The Beegees, Earth Wind and Fire, The Pretenders, ja, zelfs The Beatles en The Rolling Stones, platen die hij nog had bewaard uit zijn jeugd en waarvan zijn vrouw altijd had gezegd dat het herrie was. Nachtenlang vreeën ze onder de blauwe maan, in hun hartstochtelijk liefdesspel bijgestaan door Barry White en Serge Gainsbourgh, en wanneer ze Marlčne Diettrich opzetten was een gelijktijdig orgasme zo zeker als dat de zon de volgende ochtend weer op zou komen. De aardappel en hij waren onafscheidelijk.
Toen ineens was daar de bruiloft van zijn dochter. Hij was het alweer helemaal vergeten. Even maakte de vraag of zijn dochter de aardappel wel zou aanzien voor zijn vrouw hem onrustig. Als ze te weten zou komen hoe de vork in de steel zat… Maar al gauw kalmeerde hij. Zijn vrouw zei zelden een woord en zijn dochter was praatziek; dat zou wel loslopen met zijn aardappel. Hij begon snel aan de voorbereidingen. Gek genoeg had hij niet meer aan zijn schoonzoon en diens onrechtmatige opeisen van zijn dochter gedacht. Ne het idee weer bij hem opkwam lachte hij erom. Waarom zou hij zijn dochter nog willen trouwen? De aardappel was alles wat hij nodig had.
Hij trok zijn nette pak aan en pakte, met enige aarzeling, zijn hoed van een hoge plank. Zijn vrouw haatte die hoed. Ze vond hem opzichtig, overdreven, en ze had hem verboden de hoed ooit in haar bijzijn te dragen. Hij zette de hoed op zijn kop en draaide zich om naar de aardappel. Meteen zag hij de trotse uitdrukking op het gelaat van de aardappel, en lachend maakte hij een pirouette. Hij zou zich nergens meer voor schamen.
Vol zelfvertrouwen stapte hij de volgende morgen zijn auto uit, en op galante wijze hielp hij ook de aardappel naar buiten. Hij ontving goedkeurende blikken van de andere bruiloftsgasten. De felle ochtendzon schoon prachtig over het kleine tafereeltje waarin zijn dochter straks zou gaan trouwen. Schijnbaar vanuit het niets kwam een bolletje wol op pootjes aandribbelen. Het was het hondje van zijn dochter, Toto. Hij probeerde het te aaien, en het beestje drukte zijn natte neus in zijn handpalm en snoof eraan. Vervolgens hobbelde het naar de aardappel, wandelde er drie keer omheen, tilde zijn pootje op en begon te plassen. Vlug jaagde hij het hondje weg en keek om zich heen of niemand hem gezien had. Hij begeleidde de aardappel naar hun plaatsen. Voorzichtig leende hij hem tegen de rugleuning van de stoel, en ging toen zelf ook zitten.
Van een afstandje bekeek zijn dochter haar ouders terwijl ze daar zo zaten.
‘Ik moet vergeten zijn hoe mijn moeder eruit ziet’, dacht ze. ‘Ik wist dat ze erop leek, maar ik zou haast zweren dat er een enorme aardappel naast mijn vader zit.’
Iemand wurmde zich tussen de rij van mensen door en plotseling viel haar moeder van haar stoel, bovenop haar gezicht. Ze rolde een stukje over de grond en kwam in een klein kuiltje tot stilstand. Zijn dochter zag hoe haar vader haar moeder optilde en terugdroeg naar haar stoel, waar hij haar neerzette en er zelf naast ging zitten alsof er niets aan de hand was.
Hij inspecteerde snel nog even hoe het met de aardappel ging, en toen hij geen abnormale hobbels of bobbels kon vinden gaf hij hem een vluchtige kus op de wang, of daar waar een wang zou kunnen zitten althans. Zijn dochter stond perplex. Dat haar moeder zojuist zomaar van haar stoel was gevallen was ze alweer vergeten. Maar dat haar vader haar moeder kuste, dat had ze nog nooit meegemaakt. Het scheen haar dat er toch wel iets heel ingrijpends gebeurd moest zijn in de paar weken van haar afwezigheid, wilde de relatie tussen haar ouders zó veranderd zijn.
‘Misschien heeft het wat te maken met hoe erg mijn moeder ineens op een aardappel lijkt’, zo redeneerde ze. ‘Mijn vader is tenslotte verzot op aardappelen.’
De ceremonie begon en het ging van ‘neemt u’ en ‘in voor- en tegenspoed’, ‘tot de dood’, ‘ja’ en nog eens ‘ja’, en een zoen en toen was het klaar, en kwamen de hapjes en drankjes ten tonele. Hij zag het allemaal aan met een gevoel van melancholie. Ooit had hij ook zo met wijlen zijn vrouw gestaan, en ze hadden die dingen gezegd tegen elkaar en erop gezoend. De ring had hij nog om zijn vinger. Alles was daarna anders geworden. Met het overnemen van het bedrijf van zijn vader kwam er een einde aan hun verliefdheid, er was simpelweg geen tijd meer voor geweest, en het werk op het land had hen beide verhard, de eigenschappen die hun liefde voor elkaar sterk hadden gemaakt begraven onder de dikke aarde van het arbeidsbelang en de routine. Hij besefte hoezeer de aardappel zijn leven had gered, en hoe de ring van zijn vrouw, die hij over een uitspruiting van de aardappel had geschoven, de kracht en verbondenheid van zijn nieuwgevonden liefde symboliseerde. Deze liefde zou nimmer verharden, nimmer weggaan.
Hij liep met de aardappel op zijn dochter af om haar te feliciteren.
‘Dag vader, dag moeder’, groette zijn dochter.
‘Gefeliciteerd lieverd’, zei hij, en hij zoende haar op de wang.
‘Gefeliciteerd schat’, zei hij met een octaaf verhoging in zijn stem, zijn hoofd kort afwendend en hopend dat zijn dochter zou geloven dat haar moeder zojuist gesproken had.
‘Dank u vader, dank u moeder’, zei ze, en toen ze aanstalten maakte haar moeder een knuffel te geven gaf hij de aardappel een zetje zodat deze naar voren viel, precies in de armen van zijn dochter.
‘Wat is ze gevoelloos’, dacht zijn dochter. ‘Ze toonde altijd al weinig emotie, maar ik kan nu zelfs geen expressie op haar gezicht bespeuren. Ze zou eens wat van die nieuwe huidcrčmetjes moeten proberen, haar gezicht lijkt net de zeebodem bij Mururoa. En waar komt in godsnaam die stank vandaan?’
Plotseling nam zijn dochter drie stappen achteruit en slaakte een kreet. Geschrokken keek hij haar aan.
‘Wat is er aan de hand?’, vroeg hij.
‘Wat is er met mamma’s hoofd gebeurd!?’, vroeg zijn dochter hem, paniekerend.
‘Hoe bedoel je?’, vroeg hij.
‘Mijn God, haar halve gezicht is weggevreten!’, zijn dochter schreeuwde het uit. Angstig draaide hij een flank van de aardappel naar zich toe en kreeg de schrik van zijn leven. Waar eerst een wang, een oog en een oor hadden behoord te zitten, bevond zich nu enkel een gapend gat. Vol afschuw bekeek hij het en besefte dat hij in al zijn gelukzaligheid vergeten was de aardappel op de juiste manier te conserveren. De val van de stoel had een gat geslagen in de oppervlakte van de aardappel, terwijl deze van binnen al haast volledig verrot was.
‘Liefde maakt blind’, ging door zijn hoofd.
Terwijl hij in gedachten verzonken naar de aardappel stond te staren, was het rondom hem inmiddels vergeven van de mensen. Er werd geroepen en gehuild. Hij kwam bij zijn positieven en aarzelde geen moment, greep de aardappel en sleurde deze naar zijn auto. Hij smeet hem op de achterbank, stapt achter het stuur en scheurde weg. In zijn achteruitkijkspiegel zag hij hoe zijn dochter en enkele andere bruiloftsgasten hem verbijsterd nakeken. Het maakte niet meer uit. Alles was verloren.
Verslagen zat hij aan de keukentafel. Op de stoel tegenover hem stond de aardappel. Hij greep met beide handen zijn hoofd vast en schudde het langzaam heen en weer. Zijn droom was ingestort, zijn geluk verloren, zijn leven voorbij. Hij zuchtte diep, de zucht van iemand die alle moed heeft opgegeven, hief zijn hoofd en keek de aardappel aan. Hij bleef zo wel een kwartier zitten, zijn hoofd steunend op zijn handen, starend naar de aardappel. Hij zag de huid, de hobbels en de bobbels, de uitspruitingen en de gelaatstrekken waar hij zoveel van had gehouden. Hij zag het rottende gat dat als een bomkrater midden in het hoofd van de aardappel lag. Voor zijn geestesoog zag hij hoe de aardappel van binnen bezig was uit elkaar te vallen, stukje bij beetje, totdat hij uiteindelijk ineen zou zakken als een slappe pudding. Er veranderde iets in zijn blik, een klein lichtje ging aan achter zijn ogen, dat met de seconde groeide totdat het uiteindelijk zijn hele geest overscheen. Hij stond op, pakte een mesje uit de keukenla en begon de aardappel te schillen. De verrotte gedeelten sneed hij vakkundig weg totdat er alleen nog een gezond en kaal stuk aardappel over was. Dit sneed hij in blokjes en gooide hij in een koekenpan. Met een haast extatische bevlogenheid bakte hij de aardappelblokjes knapperig en bruin. Hij smeet ze op een bord en ging weer aan de keukentafel zitten. Even aarzelde hij, maar toen begon hij als een wildeman de aardappelblokjes weg te werken. Hij liet het zich geweldig smaken.
‘Een fantastische aardappel’, dacht hij bij zichzelf, ‘Wat een fantastische aardappel.’
2006