small.cat-logo
Een dagje onverantwoord :: PR-025-nl

Zo zondags zit ik vaak half-weggezakt achter een beeldscherm, met een zoem in mijn hoofd en de vage notie van vergeten zaken op de grens van mijn besef. Ik lepelde een bakje met magere yoghurt leeg, mager opdat ik niet dik zal worden, wat me ook nog niet gelukt is. Ergens hoorde ik wind (het zal buiten wel weer zijn geweest) en zonder er erg in te hebben luisterde ik naar de regendruppels die zichzelf tegen het raam smeten. Batsbatsbatsbats-batsbats bats batsbats-bats batsbatsbatsbatsbats, of iets in die trant. Het was een vrij complex ritme, als ik het zo hoorde, de componist zal wel niet te achterhalen zijn. Zuchtend gleed ik verder onderuit en voelde hoe de wielen van mijn bureaustoel hun grip verloren en meerolden met mijn lichaam. ‘In een positie als deze mag een mens toch niet leven, al was het maar voor even,’ dacht ik. Ik besefte dat ik liedjes zou moeten schrijven, eigenlijk.

Vanuit mijn ooghoek hoorde ik ineens een vreemd gezang, niet van een man maar van een apparaat dat ervoor gemaakt is dergelijke geluiden te produceren. Het leek wel van buiten te komen. Kordaat hees ik mijzelf op en stapte in mijn schoenen. De poes mompelde iets onverstaanbaars toen ik de balkondeur opende. Altijd wil de poes ook op het balkon, altijd als ik ga, zelfs met hondenweer, zelfs dan. Ik sloot de deur en hield de poes binnen, en ik keek over de rand van de zevende etage naar beneden, waar ik een klein mannetje zag staan. (Hij is natuurlijk klein doordat ik van hoog kijk maar in het echt wassie ook best klein). Hij stond, gek genoeg, op een gekke fluit te blazen. Hij had ook een rare muts op. Ik weet niet waarom maar hij stond recht voor mijn balkon te blazen. Nou zitten er natuurlijk nog zes andere balkons onder het mijne, dat weet ik ook wel, maar toch stond ie voor mijn balkon.
Ik zwaaide naar hem. Hij zwaaide terug. Hij speelde vrolijk verder. Ik bewoog een beetje mee op de muziek, dat doe ik soms wanneer ik muziek luister, namelijk.
Ineens stopte hij met spelen. Ik kapte een enthousiaste beweging naar links wat ongemakkelijk af en keek naar beneden. Het mannetje keek omhoog. ‘Mag ik je wat vragen?’, vroeg hij. ‘Jahoor, dat mag’, antwoordde ik, want ik ben daarin helemaal niet zo moeilijk. ‘Mag ik eventjes boven komen?’, vroeg hij me. ‘Dat lijkt me reuze gezellig’, zei ik. ‘Tis nummer honderdvijfentwintig’, voegde ik ter informatie toe, anders had hij zich wellicht de pleuris moeten zoeken, en dat wilde ik ook niet, want hij kon zo leuk spelen. ‘Dankje, ik zie je zo’, zei het mannetje, en begon naar de ingang van de flat te lopen. De bel ging. Ik nam de hoorn op en zei ‘Hallo?’ – ‘Ik ben het!’, zei het mannetje, en ik zoemde de deur open. Ik ruimde snel nog even wat rommel op, ik wilde niet dat het mannetje een verkeerd beeld van me zou krijgen, dat hij zou denken dat ik zo iemand ben die niet snel even wat rommel opruimt voordat iemand langskomt, want zo ben ik helemaal niet. Ik had net een vuilniszak vol toen er op het raam geklopt werd. Ik zag het mannetje nu van dichtbij, zwaaiend naar binnen alsof hij wilde zeggen ‘Ik ben er, doe open!’ Ik deed de deur voor hem open en hij stapte binnen. Ik vond het een beetje een raar mannetje. Hij had hele grote ogen, dikke wenkbrauwen, volle wimpers, een brede mond, een verdonkerd gezicht vol groeven op de raarste plekken zodat je dacht ‘in wat voor plooien heeft zijn gezicht in godsnaam vertoeft?’, en hij had bijna geen neus. En zijn muts leek nog raarder dan hij mij zojuist beneden had geleken. Al met al vond ik hem een vreemdsoortig persoon, maar hij speelde leuk op de fluit dus het maakte me niet uit.
‘Waarom wilde je boven komen?’, donderde ik met de deur in huis. ‘Nou,’ zei het mannetje, ‘ik moet nogal nodig naar het toilet, vandaar.’ ‘Ah, vandaar’, antwoordde ik begripvol. ‘Een schamele of een flinke donatie?’, vroeg ik hem. ‘Een aardig flinke,’ zei hij. Even liet ik zijn woorden bezinken. Het gebeurt tenslotte niet iedere dag dat een vreemdsoortig klein mannetje op je toilet gaat zitten schijten. ‘Doe de deur op slot, als je wilt,’ zei ik, en ik wees hem het kamertje.

Twintig minuten waren voorbij gevlogen terwijl ik een boterham at. Buiten regende het nog immer. Ik had het mannetje niet meer gezien. Af en toe liep ik wat onopvallend langs de deur van het toilet, maar die zat nog steeds op slot. ‘Constipatie’, dacht ik. Na exact tweeënveertig minuten gewacht te hebben hoorde ik hoe de wc doorspoelde. Ik liep de gang in om het mannetje op te vangen, want ik besefte me dat dit eventueel een redelijk traumatische ervaring voor hem was geweest. Met een glas water wat ik al uit voorzorg had getapt stond ik voor de deur te wachten. De deur bleef dicht. ‘Even ophijsen,’ dacht ik, maar na vijf minuten was de deur nog steeds dicht. Ik had inmiddels het halve glas water zelf al weggedronken. ‘Waar kan ie nou zo lang blijven?’ vroeg ik me hardop af. Toen hoorde ik ineens een gedempt riedeltje, opgewekt doch met een snuifje melancholie. ‘Dat moet dat mannetje zijn!’ dacht ik. Ik liep wat dichter naar de wc toe om eens wat beter te luisteren, toen mij opviel dat de deur van het slot was. Met een gevoel van onderdrukte schaamte legde ik mijn vingers om de hendel en duwde deze naar benee. De deur opende zich en toen ik in het kamertje keek was deze leeg. Wel klonk nog steeds het riedeltje, nu iets dichterbij. Ik bedacht mezelf dat hier wel iets vreemds aan de hand moest wezen, anders was het niet normaal geweest. Onzeker boog ik voorover en gluurde over de rand van de pot de natte zwarte diepte in. Het riedeltje leek daar ergens vandaan te komen. ‘Uhm…hallo? Hallo, meneer! Bent u daar?’ riep ik voorzichtig naar beneden. Het riedeltje stopte, en ik hoorde ‘Ja hoor!’ uit het gat komen. Even dacht ik na. ‘Waarom?’ vroeg ik toen. ‘Dat is een lang verhaal,’ sprak het mannetje. ‘Ik heb de tijd,’ zei ik. ‘Maar ik niet,’ zei het mannetje, ‘ik moet nog van alles doen…kun je misschien eventjes doortrekken? Ik zit hier vast.’ Ik was onthutst. Buiten mijn rede om verplaatste mijn hand zich door de lucht en gaf een flinke ruk aan het koord. Ik stond nog steeds voor me uit te staren toen met veel kabaal liters water het gat in golfden. Toen het ophield hoorde ik nog net een riedeltje dat langzaam in de verte verdween.

Sinds dit gebeurde is mijn leven volledig afgezakt. Ik heb nergens zin meer in, alles voelt als een last en de wereld lijkt stukje bij beetje te vergaan. Dat ik hier nu dit verhaal navertel is niet uit plezier of vanuit een soort misplaatste literaire arrogantie, ik geniet van niets meer, zelfs niet van het onrechtmatig en ten koste van anderen omhoogtrappen van je zogenaamde zelfbeeld. Ik vertel dit in de hoop dat mensen overal ter wereld zullen beseffen, of wanneer dit niet internationaal gepubliceerd zal worden gewoon in Nederland alleen, hoe dan ook, zullen beseffen dat het niet zonder gevaar is een klein fluitend mannetje zomaar je huis binnen te laten. Of je nou op zoek bent naar liefde, zoals ik, of je doet het gewoon voor de grap, pas ermee op. Je kunt jezelf ermee kapot maken, en ik ben daar het levende bewijs van. ‘Waarom,’ denk ik maar, ‘Waarom deed ie het?’ En ik weet het niet, ik heb geen flauw idee. Ik voel me machteloos. Ik voel me alleen, verlaten. Het is verschrikkelijk.

2006
bottomline
All work (music, images, texts or other) on this website is licenced under a Creative Commons Licence
Creative Commons License