small.cat-logo
Een verhaal zonder begin of eind :: PR-027-nl

…zonder dat hij daar bij had stilgestaan. Neen, hij had zichzelf de kans niet eens gegeven. Zoeken, zoeken, maar nimmer vinden, dat was zijn stilzwijgend credo.

De slaap lonkte verleidelijk, maar iets in hem deed hem onbeweeglijk zitten en in de leegte staren. Een oplossing voor een niet-geformuleerd probleem. Er was sowieso weinig dat hij voor zichzelf onder woorden kon brengen, laat staan voor een ander. Ja, de boodschappen of andere basale zaken zoals de prijs van een pak koffie of zijn verjaardag, maar waar enig gevoel bij kwam kijken was hij de weg alweer kwijt. Een kleur, neem nou een kleur. Hoe moeilijk is het (zo zou je denken!) om gewoon te zeggen ‘rood’, en het daarbij te laten. Maarnee, god nee dat was niet mogelijk. De symboliek hing hem dadelijk weer om de schouders en trok daarmee zijn emotie naar ongekende diepten van overpeinzing en onbegrip. Typerend ook hoe hij emotie rationaliseerde. Aan alles zat wel een idee gekleefd, en niets was zonder doel of besef. Gewoon de boel de boel laten, daartoe was hij niet in staat.

Op zondag was het altijd zucht-dag. Dan zuchtte hij wat af. Over het leven en de filosofie en de kunsten maar soms ook over ditjes of datjes, je vraagt je af hoeveel een mens zuchten kan, zo zuchtte hij. Waarom precies de zondag, dat wist hij zelf ook niet. Er was iets met die dag, een soort hopeloze beroering die wellicht ooit voor rust had moeten doorgaan maar al haar charmes inmiddels ver achter zich had gelaten. Hij had ook constant honger. Maar niet zo’n honger die je oplost door te eten, al was het zelfs maar voor even, nee, een honger om de honger, eentje die enkel bestond bij de gratie van zichzelf. Hij vrat wat af op zondag, bijna zoveel als hij zuchtte. Wat dat betreft was zondag eigenlijk vraat-zucht-dag. Dat vond hij zelf wel een leuke woordspeling, of, zoals hij dat in zijn eigen woorden zou zeggen, ‘amusant’. Ik ken weinig mensen die dat woord bezigen zonder sarcastisch te zijn, maar hij was er een van. Hij meende het gewoon echt serieus wanneer hij zoiets zei. En hij had wel meer van dat soort woorden. Zo was hij een gevreesd gebruiker van de term ‘ŕ propos’, en mensen hadden hem om alleen die reden al op feestjes geweigerd. (en terecht, als je het mij vraagt, ik bedoel, daar kun je toch niet mee aankomen…) Hij was ook precies het soort persoon wie het bezigen van dat soort taal ongelofelijk misstaat. Hij had er gewoon de eerlijkheid niet voor. Het was voor hem een soort plaatsvervangende identiteit die hij op een dag in het leven had geroepen als dekmantel voor wie hij werkelijk was. Een vervelende dekmantel lijkt mij dat, die de ganse tijd monologen doorspekt met termen als ‘roering’, ‘dikwijls’, ‘zonder twijfel’, ‘voorts’ en meer om van te kotsen. Een dekmantel om van te kotsen, dat had hij. En er waren maar weinigen die zijn ware Ik kenden. Ik was er een van, maar daar gaat het nu niet over. Sterker nog, het gaat helemaal nergens over, maar dat hadden jullie vast al door.

De volgende dag kroop hij verfrist onder de dekens vandaan en begaf zich richting zijn werk. Hij lepelde met flinke snelheid een bak yoghurt naar binnen en vrat zich door een boterham. Toen sprong hij de voordeur uit met een vrij grote sprong, een haast buitenproportionele sprong zou zo je kunnen zeggen. Desalniettemin bracht het hem niet van zijn padje, en in een gehaaste looppas vond hij zichzelf in slechts zeven stappen bij de lift.

Rustmoment, want, wachten op de lift. In zijn hoofd speelde ter begeleiding een muzakje.

Het licht van de lift was nog niet boven zijn horizon verschenen of hij had de hendel van de deur al in zijn ongewassen hand. Met een ruk trok hij hem open en met een ruk weer achter zich dicht. Hij duwde in zijn haast de knop met de grote zwarte ‘B’ (van Beganegrond) erop haast door het paneel heen.

Nog een rustmoment want de lift was nogal traag. Ter begeleiding neuriede hij een vervelend deuntje. Zijn hand zocht naar de sleutels in zijn zak.

En jawel daar was de grond, en daar zijn voeten gelijk ermee gesteld, en hop die deur uit en met de sleutel al in de hand op die volgende deur afstormen, en de kelder in, sprint, onderwijl zenuwachtig en half op de tast de volgende sleutel bevingerend die hem toegang zou verschaffen tot zijn stalen ros. De deur vloog open, de beschadigde verf werd drie meter ver door de smalle gang getorpedeerd. Zijn fiets greep hij resoluut bij het zadel en slingerde hem naar achter met een geoefende draai om de deurpost heen. Met een klap vloog de deur achter hem dicht terwijl hij al met duizelingwekkende snelheid door de keldergang schoot, in zijn gehaast enthousiasme even vergetend dat zijn remmen nogal zwak waren. Het scheelde weinig of hij lag door een ruit heen. De buitendeur trapte hij welhaast open en daar…
…de buitenlucht ramde de realiteit in zijn nog slaperig gezicht. Wind, verdomme, en veel ook. Zijn hele roes verpest door de confrontatie met deze verplichte traagheid ging hij vloekend in zichzelf op weg.

Hoofdstuk Vijf

Nog geen dag had zij voorbij zien gedaan of iemand had haar wel ergens op gewezen. Of het nou was in de supermarkt of op het werk of zelfs alleen in de auto waar haar navigator haar constant nogal kortaf meedeelde waar ze naartoe moest. Ze vond het nogal bemoeierig, maar daar had zij niets over te zeggen. Het navigatiesysteem was door haar baas speciaal voor haar aangeschaft opdat ze eindelijk eens de route naar haar huis zou onthouden. Al meerdere malen was hij haar onderweg tegengekomen, stilstaand naast de baan met het hoofd in de handen of soms hulpeloos rondcirkelend op een verder verlaten verkeersplein. Hij had haar dan altijd rustig opgevangen en uitgelegd welke kant ze nu op moest rijden om thuis te komen, en haar voor de zoveelste keer op het hart gedrukt om toch vooral de borden te lezen, maar zij vond de borden veel te snel gaan. En nu had ze een navigator in haar auto, een leuke stem uitgezocht van het internet en rijden maar! Ze vond er geen donder aan. Het ding irriteerde haar mateloos. Af en toe ging ze ook expres de andere kant op om vervelend te zijn, maar de gezellige mannenstem bleef aanhouden en alternatieve routes geven. Zo langzamerhand werd ze er gillend gek van. Maar zonder dat ze het zelf wist had ze een maatje gevonden in het systeem, een buddy, een heuse digitale vriend. Hij had zelfs een naam gekregen: ‘Berry’. Ze had hem ooit zo genoemd in een vlaag van verstandsverbijstering en er eigenlijk nooit meer over nagedacht dat ze überhaupt een naam aan een levenloos ding had gegeven, laat staan dat die naam ‘Berry’ was. En het gekke was, iedere ochtend dat ze de auto startte zei haar maatje ‘goeiemorgen, ik ben het, Berry, waar zullen we vandaag eens naartoe gaan?’, maar ze had dat zinnetje al zo vaak gehoord dat ze het uit een soort automatisme iedere ochtend heel vervelend overstemde door flink hard ‘blahblahblahblahblahblahblah’ te zeggen. Stiekem vond Berry dat niet leuk, maar wie was hij om zich daarover uit te laten?

Die zondag wilde ze naar de supermarkt, maar zonder Berry, dus ze zette hem uit. Diep van binnen zuchtte Berry even, maar hij was het gewend, dit ging zo elke zondag. Toen ze de auto achteruit de parkeerplaats afdraaide voelde ze heel kort een tinteling die haar de nekharen omhoog…

2006
bottomline
All work (music, images, texts or other) on this website is licenced under a Creative Commons Licence
Creative Commons License