small.cat-logo
Een Verlossing :: PR-046-nl

Een mannetje komt door de draaideur geschuifeld. In zijn linkerhand houdt hij een zwarte aktentas. Hij heeft de blik van iemand die net van zijn werk komt.
Het mannetje komt net van zijn werk. Zijn nette pak is met de uren wat losser gaan zitten, en als hij bij zijn fiets aankomt legt hij zijn tas op zijn bagagedrager en trekt zijn stropdas even aan. Hij slaat drie snelbinders over zijn tas en haalt zijn fiets van het slot. Even rust hij zijn palmen op de handvaten, geeft ze een kneepje, en dan stapt hij op.
Op de fiets is het goed denken, zo denkt hij altijd. Nu fietst hij, en dus denkt hij ook. Hij denkt over wat hij heeft gedaan, wat hij nog moet doen, en hou hij dat zal aanpakken. Eigenlijk denkt hij daar altijd over, op de fiets. Dan komt hij thuis en doet de afwas, of hij stofzuigt de kamer. Soms heeft hij wat werk mee naar huis genomen. Daar is hij dan de hele avond mee bezig, tot ie naar bed gaat.
Vandaag heeft het mannetje geen werk mee naar huis genomen. Dan maar de afwas, denkt hij, dat moet ook maar weer eens gebeuren.

‘Angst en Vertrouwen’, denkt hij ineens. Daarna denkt hij even niks. Dat gebeurt hem zelden, bedenkt hij. Dan denkt hij nog een keer ‘Angst en Vertrouwen’. Hij vraagt zich af waar dat ineens vandaan komt. Hij denkt normaal nooit dat soort dingen, laat staan op de fiets. Even denkt hij hierover na, maar dan denkt hij nog eens ‘Angst en Vertrouwen’, en daarna weer even helemaal niets, en dan weet hij het niet meer.
Nu is het mannetje een klein beetje van zijn à propos. Hij begint te twijfelen. Niet aan zijn gedachten, maar aan alles, alles wat hij kent en ziet en doet en wil en is of denkt te zijn. Hij raakt de weg kwijt, het spoor bijster, verdwaald in zijn doolhof van gedachten, denkt alleen nog maar aan hoe fout hij zit, hoe anders de wereld is, hoe hij het allemaal nooit heeft begrepen.
De benen van het mannetje stoppen te bewegen. Langzaam mindert hij vaart. Op het laatst kan hij zichzelf nog net in balans houden, maar dan zet hij zijn voet op de grond.

Het mannetje staat stil, twee voeten op de grond, de rug recht en zonder een beweging. Hij kijkt omhoog door de takken van de bomen en ziet de lucht. Achter zijn rug drijft een zwarte wolk voorbij.

Stil staat het mannetje, hij verroert geen vin. Bewegingloos staat hij daar, twee voeten op de grond. Zelfs de wind kan zijn haren niet verwaaien. Even lijkt het of hij zweeft.

Het mannetje staat stil. Twee voeten op een millimeter van de grond, in rust, zwevend, een bewegingloze beroering op zijn gelaat, een verre herinnering wakkert in zijn ogen.

Achter zijn rug drijft een zwarte wolk voorbij.

Zijn rechterhand grijpt krachtig een tak, zijn voeten zetten zich snel af van de grond, twee korte stappen over de stam en een tak hoger is binnen het bereik van zijn linkerhand. Hij pakt vast en trekt zijn lichaam hup de boom in. Hoger en hoger klimt hij, tot waar hij een dikke vindt om op te zitten. Hij ziet om zich heen. Het zwart van zijn nette pak is vernieuwd met groene vegen. Onder hem heeft de wind zijn fiets aan de kant gesmeten (allicht, er moeten toch nog mensen langs). Het leer van zijn aktentas is verwond. Het mannetje zucht verlicht.

In zijn hoofd vloeien gevoelens moeiteloos rond, in en om en over elkaar. Waar eerst de wanhoop en de angst had gezeten was nu plaatsgemaakt voor een nieuw idee, voor de vrijheid. Dagen en nachten zat hij in die boom, thuis en op zijn werk wisten ze niet waar hij was. Toen hij uiteindelijk naar beneden kwam was hij sinds jaren weer in leven.

2006
bottomline
All work (music, images, texts or other) on this website is licenced under a Creative Commons Licence
Creative Commons License