Solo Dei Gloria
:: PR-030-nl
Op een ochtend werd ik wakker met een vreemd gevoel in mijn borst. Ik kon het niet goed plaatsen. Het voelde niet zoals mijn longen voelden na een avondje overdadig roken, en zat ook niet op de plek van mijn hart. Ik besloot het maar een dag of twee af te wachten, te zien wat het zou worden.
De volgende ochtend was het er nog steeds, en het was ook erger geworden. Ik had de nacht ervoor al gedacht zoiets op te merken, maar vertrouwde toen, oordelend naar de wijnstand in de openstaande fles, niet op mijn inschattingsvermogen. Naar het bleek had ik het toch bij het juiste eind gehad.
Het gevoel had iets organisch, waardoor ik in eerste instantie had gedacht aan een ongeregeldheid in mijn ingewanden, maar naarmate het gevoel bleef aanhouden en verergerde ging ik steeds meer aan dit idee twijfelen. Er klopte iets niet. Het voelde, en het duurde even voordat ik dit zelf kon geloven, alsof er iets groeide binnen in mij, iets levends.
Zwetend en trillend werd ik wakker. De beelden in mijn hoofd die mij zojuist zo’n onrustige en gespannen slaap hadden bezorgd zakten langzaam weg in mijn onbewuste geest. Vaag herinnerde ik me een kerk, gigantisch van buiten en nog immenser van binnen. Ik wist niet meer wat ik er kwam doen, maar de woorden die de priester door de zaal had doen schallen klonken nog na in mijn oren, en het waren die woorden en de realisatie die ik had bij het horen ervan die mij wakker hadden doen schrikken. ‘Jezus leeft in jou’, had hij gezegd. Opeens begreep ik het allemaal, het rare gevoel waarmee ik had rondgelopen, de vreemde gedachten die mij soms bekropen en de sensatie van iets levends dat in mij groeide. ‘Jezus leeft in jou.’ - ‘Godverdomme’, dacht ik.
Helder staat mij die dag nog voor de geest dat ik, ondanks enig tegenstribbelen van mijn kant, door een ‘vriend’ (want aan zijn motieven begin ik nu ook steeds meer te twijfelen) werd overgehaald het Christelijk geloof eens een kans te geven. Het was een openbaring voor hem geweest, zo zei hij, en klaarblijkelijk was hij de mening toegedaan dat ik zoiets ook wel zou kunnen gebruiken. Dus, die zondag ging ik met hem mee. Ik weet nog hoe ik twijfelde, want ergens zat het me niet lekker, maar ik voelde me op een vreemde manier verplicht om te gaan.
De kerk leek verdomd veel op die uit mijn droom, alleen wat kleiner. Eenmaal binnengekomen had ik geen flauw idee waar te gaan zitten, maar mijn ‘vriend’ zei me dat vooraan de beste plaatsen waren en voor ik het wist zat ik van kleine afstand tegen de kansel aan te staren. De grootsheid van het geheel beangstigde me enigszins. ‘Wat willen ze hiermee duidelijk maken,’ zo vroeg ik mij stilletjes af, ‘de Glorie Gods of de nietigheid van de mens?’ Ik zag in beide ideeën niet veel.
De dienst begon en duurde ontzettend lang. Het leek me onbeschoft om op mijn horloge te kijken, maar voor mijn gevoel zat ik daar een uur of acht. Na wat nietszeggende liederen begon de preek. Een lelijke, oude man nam het woord, en vertelde mij van de zondeval en al wat slecht en verderfelijk is op deez’ aard. Toen begon hij over Jezus, en dat hij de Zoon van God was, en geleden aan het kruis en gestorven voor onze zonden en weer opgestaan en toen naar de hemel opgestegen. Jezus leek me nogal een opschepper, maar goed. En toen kwam het: het bidden. De zegen, zoals geestelijke indoctrinatie met een vroom woord wordt genoemd. Een heel verhaal over de kinderen Gods en het juiste pad bewandelen en volgen van de Messias en meer van dat soort ingewijdenpraat. Ik keek even opzij en zag hoe mijn ‘vriend’ als in een heilige extase zat te luisteren, alsof hij de woorden niet via zijn oren maar dwars door zijn ogen heen binnenkreeg.
De zegen eindigde met een zin die ik op dat moment verstond als een soort theatrale metafoor zonder enige verdere betekenis, maar die, nu ik eraan terugdacht, heel andere implicaties scheen te hebben gehad. ‘Laat Jezus in jullie allen groeien!’ zo had de man gescandeerd. ‘Laat Jezus in jullie allen groeien!’
Dat was nu bijna vier weken geleden. ‘Godverdomme’, dacht ik.
Ik wist de kerk nog wel te vinden. Iets voor het einde van de dienst glipte ik naar binnen. Ik herkende hem meteen. Hij preekte ook nagenoeg exact hetzelfde als een maand tevoren. Toen de kerk uitging wachtte ik hem buiten op. Hij deed zij uiterste best sereen en heilig te lopen, maar zodra ik op hem afliep kwam er een aarzeling in zijn pas, en ik wist dat hij zich me herinnerde.
‘Goedenmiddag’, zo begon hij.
‘Hallo,’ sprak ik, ‘ik zit met een probleempje.’
‘Dan hoop ik dat ik u daar verder mee kan helpen’, antwoordde hij.
Voor een moment geloofde ik in zijn oprechtheid, maar het steeds aanhoudende gevoel van nieuw leven in mijn borst schudde me wakker. ‘Vuile huichelaar’, dacht ik.
Ik zei hem dat ik niet zou weten wie mij anders zou moeten helpen dan hij. Hij voelde zich vereerd, de rat, maar kon zich niet voorstellen dat hij als enige mens op aarde een oplossing zou kunnen bieden voor mijn probleem. Ik vond hem geen mens maar een lelijk oud gedrocht, maar dat zei ik niet. Ik wilde het gesprek zo lang mogelijk vriendschappelijk houden.
‘Klopt het dat u een opleiding tot exorcist of, hoe u wilt, geestesuitdrijver hebt gevolgd?’ Ik had mijn onderzoek goed gedaan.
‘Dat klopt,’ zei hij, en de korte hapering in zijn stem ontging mij niet, ‘maar wat heeft dat met uw probleem te maken? U lijkt me niet bepaald bezeten’, voegde hij met een schlemielig lachje toe.
‘Dat is maar net hoe je het bekijkt’, zei ik.
Een vlaag van ingehouden bezorgdheid schoot over ’s mans gezicht. Hij herpakte zich met een vlugge glimlach, maar zijn aanvankelijke emotie was mij niet ontgaan. Ik wist nu zeker dat hij zich bewust was van zijn daad, hoe zorgvuldig hij ook trachtte dit voor mij verborgen te houden. De klootzak speelde een spelletje met mij, maar hij zou het verliezen.
Op slinkse wijze had ik hem meegevoerd in een wandelgang door de kerktuin, waardor wij ons nu op een redelijk afgezonderd plekje bevonden. Ik hield stil en keek hem in de ogen. Zijn lichaamstaal las als een schaamteloos gedirigeerde pageturner waarbij Dan Brown’s ‘Da Vinci Code’ een literair meesterwerk zou lijken.
‘Ongeveer een maand geleden,’ sprak ik, geen greintje aarzeling in mijn stem, ‘woonde ik hier een dienst van u bij waarin u sprak over Jezus. U heeft toen opgeroepen tot de groei van Hem in mij. Ik weet niet hoe u het voor elkaar hebt gekregen, maar op dit moment is precies dat aan het gebeuren. Jezus groeit in mij.’
Ik wachtte zijn reactie af. Ik had geprobeerd het verhaal rustig te brengen, maar iets van mijn woede was naar de oppervlakte gedreven en had mijn stem van een soort wanhopige opwinding voorzien. De man had dit blijkbaar geïnterpreteerd als enthousiasme, want hij zei, ‘Ik ben heel blij voor u, maar wat is het probleem?’
Dit had ik absoluut niet voorzien. Ik was voorbereid geweest op wanhoop, woede, harde ontkenning, een plotselinge vlucht of zelfs religieus fanatisme, maar de man voelde zich in het geheel niet betrapt. Hij glimlachte zelfs wat ongelukkig naar me, met een blik van onbegrip in zijn ogen. In mijn geest voelde ik mijn theorie wankelen. Deze man leek mij zo oprecht dat hij het mij onmogelijk maakte hem nog langer te verdenken. Hij wist echt nergens vanaf, was zich van geen kwaad bewust.
Van binnen zuchtte ik even. Tussen ons in hing een lange stilte. De man opende langzaam zijn mond, maar ik gaf hem niet de tijd een zin te beginnen. Het vantevoren zorgvuldig in mijn mouw verstopte stuk hout viel in mijn hand en met een resolute beweging plantte ik het op zijn voorhoofd. De man zakte met mijn kortstondige geloof in zijn goedheid ineen. Het plan moest worden voortgezet. Het gevoel in mijn borst werd steeds sterker. Ik had geen tijd voor medelijden.
De man moet een zekere schrik gehad hebben toen hij zijn ogen opende. Hij bevond zich in de exorcitie (of hoe men ‘exorcisme’ ook wil vervoegen) – ruimte, een kamer in mijn huis die ik ter voorbereiding op dit alles had volgestouwd en afgeladen met een diversiteit aan satanistische en occulte relikwieën waar Anthony LaVey jaloers op zou zijn, allemaal ter bevordering van de uitdrijving. Met een schok schoot de man overeind, zich in de offerruimte van een maniakale aanbidder van Beëlzebub wanend.
‘Rustig, rustig,’ probeerde ik hem zijn paniek uit het hoofd te praten, ‘het enige dat ik van u verlang is dat u Jezus uit mij verwijderd.’
De man keek me vol onbegrip aan. ‘Maar…maar dat gaat recht in tegen mijn overtuiging!’
‘Luister,’ sprak ik op kordate toon, ‘de redenen en achterliggende motivaties voor uw ziekelijke gezegende conceptie zullen wij worst wezen. Het interesseert me niet wie de andere slachtoffers zijn of wat ze staat te gebeuren, zij bezoeken uw kerk waarschijnlijk geregeld en uit vrije wil en kunnen wellicht nog ergens binnen hun geloof een redelijke basis vinden voor deze praktijken, maar ik zat daar tegen mijn zin op de voorste rij toen u ons met uw gestoorde reli-spreuken behekste en ik zat hier niet op te wachten. Dat ding groeit als kool, en ik verwacht ieder moment de streling van zijn monsterlijke handje tegen mijn huig, dus als u het niet erg vindt zou ik nu gewoon met het hele exorcisme willen beginnen.’
De mond van de man hing vrij ver open en zijn ogen straalden een combinatie uit van wanhoop, ongeloof en de nasleep van onbeholpen pogingen tot logisch denken. Hij begon te spreken, maar stopte weer. Nog even had hij een kort beraad met zichzelf, en toen sprak hij aarzelend, ‘Ik krijg bijna het idee alsof u bedoelt dat Jezus létterlijk bezig is in u te groeien…’
Halverwege zijn zin klonk een onzeker lachje door in zijn stem. Ik besefte nu pas dat hij mij al die tijd verkeerd had begrepen. ‘Dat is ook wat ik bedoel.’
Het voorstellingsvermogen van de man leek op volle toeren te draaien, maar kwam duidelijk niet ver genoeg. ‘Dat is niet mogelijk,’ zei hij na een tijdje, en zijn stem trilde van ongeloof.
‘Ik kan u verzekeren dat dat het wel is’, verzekerde ik hem.
‘Maar wat heb ik daar in godsnaam mee te maken?’ vroeg hij.
‘In Godsnaam hebt u daar alles mee te maken. “Laat Jezus in jullie allen groeien”, zo sprak u, en zette daarmee dit hele proces in gang’, zei ik.
‘Maar dit is toch nooit mijn bedoeling geweest!?’ exclameerde hij, door wanhoop overmand.
‘Intentioneel of niet, u hebt dit veroorzaakt dus u kunt het ook weer rechtzetten’, zei ik. ‘En begin nou maar gewoon, want ik barst haast uit mijn voegen.’
Buiten waaide de wind hard om het huis. Het geluid gaf de kamer een nog vreemdere sfeer dan ie al had. Ik lag op de grond in het midden van de kamer, precies in het hart van een groot zwart pentagram dat ik daar met een op knullige wijze vervloekt stuk houtskool had getekend. Het kon ermee door. Vanuit mijn ooghoeken zag ik hoe beeltenissen van Satan en al zijn demonen mij aanstaarden. Recht voor mij stond de priester wat ongelukkig met een kruis ondersteboven in zijn hand zenuwachtig om zich heen te loensen. Het was duidelijk dat hij geen flauw idee had van waar te beginnen.
‘Je kunt toch gewoon het omgekeerde zeggen van al die bezweringen die je bij een duivelsuitdrijving opzegt?’ vroeg ik hem.
‘Ik weet het niet, het is niet alsof ik dit al honderd keer eerder heb gedaan… ik zou je straks nog kunnen vermoorden.’
‘Ach, wat een onzin. Zo’n uitdrijving werkt toch volgens een bepaald basisprincipe? Je houdt een heilig teken omhoog, zegt met krachtige stem iets in de trant van “Demon, in de naam van God, verlaat dit lichaam” en meer van dat, en hop het is gebeurd. Zo moeilijk kan het niet zijn.’
‘Waarom denk je dat er een opleiding voor is? Er zijn cruciale punten van de manier waarop je een kwade geest aanspreekt tot wat je met hem doet nadat hij het lichaam heeft verlaten. Als je dat niet goed doet kan het heel verkeerd aflopen. De geest kan bijvoorbeeld op de exorcist overgaan of hem doden.’
‘Het lijkt mij dat jij wel weet hoe je Jezus aanspreekt of wat je met hem moet doen zodra hij uit mijn lichaam is. Daar ben je tenslotte priester voor.’
‘Maar dan nog, de bezweringen zijn heel specifiek, ik kan toch niet zomaar zoiets zeggen van “Jezus Christus Zoon van God, in de naam van al wat slecht is en kwaad is op deze wereld, verlaat het lichaam van deze man” ?’
Een plotselinge schok schoot door mijn lichaam. De plaats in mijn borst waar het vandaan was gekomen gloeide nog na. De priester stond verbouwereerd naar me te staren.
‘Zeg dat nog eens?’ vroeg ik hem. Hij herhaalde de zin, en opnieuw schokte mijn lichaam hevig. Het deed pijn, maar het leek te werken. De priester dacht er hetzelfde over, maar keek wat moeilijk.
‘Is er een probleem,’ vroeg ik hem, ‘het werkt toch?’
De man legde mij uit dat hij moeite had met het uitdrijven van het goede met behulp van het kwade, terwijl hij heel anders geloofde.
‘Kom niet bij me aan met je geloofscrisis,’ antwoordde ik, ‘Je begrijpt je geloof niet, dat lijkt me duidelijk te oordelen naar de miniatuur-Jezus in mijn borstkas. Dus vergeet al die religieuze onzin en maak ongedaan wat je hebt veroorzaakt, verdomme.’
De man knikte voorzichtig, mijn woorden klonken in zijn oren na. Hij zuchtte even kort en keek me toen strak aan. Zijn handen spanden zich om het houten kruis en vastberaden hief hij het ten hemele. Hij opende zijn mond om te spreken. Instinctief spande ik mijn spieren en zette me schrap.
‘Jezus Christus, Zoon van God, Zoon des Mensen, Heilig Lam Gods, Messias, Koning der Joden! In de naam van Satan, Lucifer, Mephistopheles, Mammon, Beëlzebub, Asmodee en alles wat kwaad en verdorven is onder de hemel en op aarde, ik gebied u dit lichaam onmiddellijk te verlaten!’
Ik wist niet wat ik hoorde, maar voor ik de kans kreeg me te verbazen over de plotselinge uitbarsting van de oude man werd mijn gehele lichaam bevangen door een ijzige kou en een brandende hitte tegelijk, en begon te schokken en te schudden dat het een lieve lust was. Een immense pijn schoot door mijn borst en bleef daar hangen, en ergens van binnen voelde ik hoe een levend wezen zich van mij losmaakte, zich afscheidde, als een zich met tegenzin verwijderende parasiet. Hij spartelde een beetje.
De priester hield aan, bleef de woorden herhalen en hield onderwijl het omgekeerde kruis tegen mijn borstkas gedrukt. Ineens voelde ik hoe het wezen zich van mijn middenrif naar beneden begon te verplaatsen, steeds verder en verder. In mijn onderbuik kwam hij eventjes vast te zitten, maar na nog wat krachtige woorden van de priester perste hij zich toch verder. Plotseling werd ik bevangen door de overweldigende behoefte naar de WC te gaan. Ik stond op, tot enige verbazing van de priester, en strompelde richting het toilet. Er zat iets flink dwars, dus ik perste door. Stukje bij beetje begon het van binnen te glijden, en na tien minuten van enorme inspanning hoorde ik een doffe klap. Toen ik was bekomen van het extatische gevoel van bevrijding dat me had overvallen trok ik mijn broek op, en toen ik omkeek zag ik een met stront besmeurd mannetje met een baard en een witte lendendoek om zijn middel wat onbeholpen in de pleepot liggen.
‘Jezus’, zei ik.
‘Jezus Christus’, zei de priester, die zich inmiddels bij mij had gevoegd.
‘Pescha Agam’, zei Jezus in het Aramees, en ik nam maar aan dat dat ‘goeiemiddag’ betekende.
2006